Woord van de week – 11 augustus

Voor zondag 11 augustus 2014
 

Het nieuwe Godsvolk – geliefd en geroepen 1 Petrus 2:1-10

1Ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij, 2en verlang als pasgeboren zuigelingen naar de zuivere melk van het woord, opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt. 3U hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is? 4Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, 5en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. 6In de Schrift staat immers: ‘In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’ 7Kostbaar is hij voor u, die erop vertrouwen. Voor wie er niet op vertrouwen, geldt echter: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’ 8En: ‘Het is een steen waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’ Zij struikelen omdat ze Gods woord niet gehoorzamen, daartoe zijn ze bestemd. 9Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. 10Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken.

Kerngedachte: Wie bij het “nieuwe Godsvolk” wil horen, moet zich laten welgevallen niet meer over zijn eigen leven te beslissen. Redding is niet gratis, navolging kost ook iets. De volgende zinnen, waarschijnlijk uit een bijbelse dagkalender, vatten dit goed samen: “Wij zijn boodschappers van de Heer, die Hij daartoe geroepen heeft, de goede boodschap van de verzoening overal bekend te maken. Er is geen navolger van Jezus, die niet tot de dienst in het rijk Gods geroepen werd (…) . Wij zijn niet slechts “door God geliefde” maar ook “geroepen heiligen”. Zijn wij ons altijd bewust van deze roeping?

Ons Bijbelwoord kan in drie stukken verdeeld worden:

Het begin van het geloof – 1 Petrus 2:1-3

Jezus Christus, de hoeksteen van het geestelijke huis – 1 Petrus 2:4-8

De roeping van het volk Gods – 1 Petrus 1:9-10.

Ad 1. Het begin van het geloof – 1 Petrus 1:1-3

De inhoud van dit gedeelte is beter te begrijpen, als men het derde vers als begin neemt:

“U hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is?” Dat is ‘geloof voor beginners’, hier wordt het eerste begin van de navolging beschreven. Dat wordt niet geconcludeerd uit filosofische of morele beschouwingen, het is geen rationele beslissing – het is beleving. De absolute basisvoorwaarde voor alles wat daarna komt. Petrus verwijst naar Psalmen 34:9: “Proef en geniet de goedheid van de Heer, gelukkig de mens die bij Hem schuilt.” Een uitnodiging aan het volk Gods, waartoe door het nieuwe verbond de “vreemdelingen” (1 Petrus 1:1), aan wie de brief geadresseerd is, eveneens behoren. Dat maakt Petrus aan het begin van de brief duidelijk: jullie horen er ook bij, niet slechts diegenen aan wie het Psalmenwoord oorspronkelijk gericht was. Nee, door de wedergeboorte kan ieder mens, van welke afkomst dan ook, ervaren dat God in Jezus Christus goed is.

Aan het begin staat de uitnodiging van God. Het is God, die de eerste stap zet om de scheiding tussen Hem en de mens te overbruggen. Dit gelovig aan te nemen is het antwoord van de mens en leidt tot zijn wedergeboorte. Petrus wijst in vers 2 weer op de wedergeboorte van de mens; hij had haar al in hoofdstuk 1 vers 3 als basis van ons geloof en onze hoop op een prominente plaats, direct na de begroeting, in zijn brief opgenomen. Het gevolg van de wedergeboorte is tweevoudig: a. afleggen van de oude mens met zijn onvermijdelijke bijverschijnselen; b. de nieuwe mens tot groei en ontwikkeling brengen. Het wordt duidelijk: geloof is een zaak van ontwikkeling. Zoals een pasgeboren kind zich eerst alleen houdt aan de basisvoorwaarden voor zijn verdere ontwikkeling (drinken, slapen), begint degene, die pas tot geloof gekomen is eerst met de opname van (geestelijke) voeding om de verdere ontwikkeling in gang te zetten. Paulus beklaagt zich eens tegenover de Korintiërs, dat deze ontwikkeling in een vroeg stadium is blijven steken (1 Korintiërs 3:1-3, ook Hebreeën 5:12 en 6:2). Dit is voor de wedergeboren mens tegennatuurlijk. Geestelijke groei is voor degenen, die Christus navolgen de natuurlijkste zaak van de wereld.

Ad 2. Jezus Christus, de hoeksteen van het geestelijke huis – 1 Petrus 2:4-8.

Het nu volgende tweede gedeelte stelt de geestelijke ontwikkeling, ”groei en redding” (eind tweede vers) nadrukkelijk als voorwaarde. Slechts degene, die al een zeker niveau in het geloof bereikt heeft en reeds ervaringen met Jezus heeft, zal in het “geestelijke gebouw” kunnen worden opgenomen. Hier gaat het er niet om of men officieel tot een bepaalde kerk behoort, het gaat er om of men zijn eigen wil en zijn eigen bestaan op kan geven om de Heer te kunnen dienen. Het beeld van de door de mensen verworpen steen, Jezus Christus, maakt duidelijk, dat het juist niet om bijv. het lidmaatschap van een zaak, organisatie of beweging naar menselijke maatstaf gaat. De mensen hebben Christus op Goede Vrijdag verworpen, omdat Hij niet voldeed aan de verwachtingen, die ze op Palmzondag hadden. Opname in het “geestelijke huis” is iets anders dan meewerken in een kerkelijke gemeenschap, wat meer aan onze verwachtingen zou voldoen. Ons hele leven, ons hele bestaan, wij zelf moeten – naar het voorbeeld van Christus – levende stenen zijn, om in het Godswerk mee te kunnen.

In een modern sprookje wordt verteld over een boom, die heel trots op zichzelf en op zijn groei was en zijn heer veel vreugde bereidde. Toen deze heer hem nodig had, was het nodig hem om te hakken, zijn takken af te zagen en hem zelfs uit te hollen. Voor de boom een ramp omdat alles wat hem – in zijn ogen – nuttig, mooi en goed maakte nu verdwenen was. Maar slechts zo kon hij in een leiding ingebouwd worden, die de mensen in de woestijn water bracht. Voor mij een mooi voorbeeld, dat onze opname in het geestelijke huis niet altijd voldoet aan de voorstelling, die we er zelf van hebben. Maar het is de Heer, die het huis bouwt en naar zijn ideeën en maatstaven wordt het huis gebouwd, of ons dat nu bevalt of niet. De totale bouw wordt afgestemd op Jezus Christus als de hoeksteen, van deze hoeksteen gaat houvast en verbondenheid uit, of ons dat nu bevalt of niet. Een opname in dit geestelijke huis gaat gepaard met het opgeven van menig eigen idee en wens. Voor het “oude ik” en veel buitenstaanders onbegrijpelijk, voor de gelovigen “kostbaar” (1 Petrus 2:7; vergelijk I Korintiërs 1:18).

Ad 3. De roeping van het volk Gods – 1 Petrus 2:9-10

Hier wordt de motivering gegeven, waarom opname in het geestelijke huis een noodzakelijk, ja vanzelfsprekende consequentie van het geloof is. Geloof en redding zijn nooit een doel op zichzelf; God heeft met de geredden een bedoeling. Gods genadegeschenk aan ons is zo groot, dat we “uitverkorenen”, “koningen”, “priesters”, “heiligen”, “eigendom” zijn. Omdat we God zo veel waard zijn, omdat Hij ons zo liefheeft, schenkt Hij ons zo rijkelijk veel – en daar komt nog een reden bij: omdat Hij met ons een bedoeling heeft. Wij zijn ertoe geroepen de weldaden, die we van Hem ontvangen door te geven en te verkondigen. Dat is de roeping van het volk Gods – nog één keer: of het in onze kraam past of niet. Wie aan deze roeping geen gevolg geeft, doet iets wezenlijk fout in het geloof.

De roeping tot zending komt bijna automatisch voort uit het wezen en de wil van God. In een moderne versie van de musical “Jona” zegt God aan het slot tot de gefrustreerde profeet, quasi als aanvulling op het bijbelse verhaal: “Heb je nog steeds niet begrepen dat Ik deze mensen liefheb, dat Ik het niet verdragen kan hen te verliezen?” Een prachtige, in heel eenvoudige woorden gevatte omschrijving van Gods wezen en van zijn grenzeloze liefde tot ons mensen. En de aard van zijn wezen bepaalt ook zijn wil: Hij “wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen” (I Timoteüs 2:4).

Het gehele Bijbelwoord eindigt met het nog eenmaal duidelijk maken door Petrus aan de ‘geroepenen’ wat God voor ons doet: Hij heeft ons uit de duisternis geroepen tot zijn wonderbaarlijke licht; wij mogen Gods volk zijn; wij zijn in zijn genade aangenomen. Eerst: levenswandel in de duisternis, geen werkelijk thuis, een genadeloos bestaan. Dan is de roeping door God toch een duidelijke verbetering, of niet?

C. Kadner