Woord van de week – 12 mei

Voor zondag 12 mei 2019
Vijfduizend worden verzadigd Lucas 9:10-17
10Toen de apostelen terugkeerden, vertelden ze Jezus alles wat ze gedaan hadden. Hij trok zich met hen terug in een stad die Betsaïda heet. 11Maar de mensen kwamen het te weten en volgden Hem. Hij ontving hen vriendelijk en sprak tot hen over het koninkrijk van God, en degenen die genezing nodig hadden maakte Hij weer gezond. 12De dag liep ten einde. De twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden: ‘Stuur de mensen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omgeving gaan om daar te overnachten en op zoek te gaan naar eten, want dit is een afgelegen plaats.’ 13Maar Hij zei tegen hen: ‘Geven jullie hun te eten.’ Ze zeiden: ‘We hebben maar vijf broden en twee vissen. Moeten wij dan eten gaan kopen voor al die mensen?’ 14Er waren ongeveer vijfduizend mensen bijeen. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Zeg dat ze in groepen van ongeveer vijftig bij elkaar moeten gaan zitten.’ 15Ze deden wat Jezus hun opdroeg en lieten iedereen in groepen bij elkaar zitten. 16Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel en sprak er het zegengebed over uit. Daarna brak Hij het brood en gaf het met de vissen aan zijn leerlingen om aan de menigte uit te delen. 17De mensen aten en allen werden verzadigd; de stukken brood die overbleven werden opgehaald, twaalf manden vol.

Kerngedachte: Jezus helpt bij nood en gebrek, Hij verzorgt ons met alles wat wij nodig hebben. Hij is het brood des levens.

Toen ik dit Bijbelwoord las, moest ik spontaan denken aan Psalm 23: ‘De Heer is mijn herder’, een woord, dat mij mijn gehele leven begeleidt.

Deze geschiedenis verleidt ons stil te blijven staan bij het wonder van de spijziging door brood en vis. Maar laten wij eerst letten op de gemeenschap van Jezus en zijn discipelen. Hij had zich teruggetrokken om een belangrijke “werk”bespreking met zijn discipelen te houden. In het dagelijks leven heb ik een chef, die ik in zo’n situatie niet zou mogen storen en ik moet ook degenen, die hem dan zouden willen spreken of zijn advies willen hebben, afwimpelen. Bij Jezus is dat anders; hoewel Hij niet speciaal de menigte opzoekt, gaat Hij naar de mensen toe, luistert naar hen en spreekt met hen. Hij stuurt hen (u) niet weg met hun vragen. Voor Jezus is het belangrijk, dat mensen tot het inzicht komen, dat Hij het (geestelijke) brood des levens is.

In de omgeving is geen voedsel te krijgen, er zijn geen herbergen, geen bronnen; het is een eenzame plek. Toch volgt de menigte Jezus, want ze willen Hem zien en horen. Ze hebben gehoord, dat Hij zieken geneest. Ongetwijfeld zal er bij velen sensatiezucht in het spel zijn geweest, maar Jezus concentreert zich op het wezenlijke, op het Rijk Gods. Hij wilde, dat ze tot het juiste besef van Hem zouden komen, namelijk dat Hij de Christus is, de Zoon Gods, die het Rijk Gods bij en onder de mensen brengt.

Dan wordt het avond en de discipelen vinden, dat de mensen iets te eten moeten hebben. Ook dan blijft Jezus rustig, zegent wat voorhanden is en maakt daaruit genoeg voor allen. Juist dit punt is dikwijls het middelpunt van twijfel en kritiek. Zoiets is toch helemaal niet mogelijk! Dat was een truc, er waren natuurlijk nog meer korven met brood en vis. Maar is het ‘hoe’ wel zo belangrijk (dus de vraag hoe Jezus dat gedaan heeft)? Belangrijker is dat God helpt. De Heer zorgt voor ons, elke dag opnieuw!

Deze geschiedenis kan wellicht een eenzijdig beeld van Jezus en zijn daden corrigeren. Het is Hem er niet om te doen dat Hij zo graag in de openbaarheid wil staan, neen, Hij handelt alleen in opdracht van zijn Vader. Met zijn handelen probeert Hij de wil van zijn Vader te doen. Zijn eigen initiatieven en de wil van zijn Vader zijn één en leiden er tenslotte toe dat stap voor stap de voor de Heer voorbestemde weg naar het kruis wordt afgelegd. Hij wil zich zelf geven. De wonderen spelen voor Jezus zelf slechts een ondergeschikte rol. Allereerst gaat het Hem erom de mensen/ons tot het juiste besef van het Rijk Gods te voeren, ons dus het brood des levens te schenken. Daarbij komt het echter steeds weer aan op onze eigen geloofshouding, namelijk of wij de redding aannemen en daardoor uiteindelijk het eeuwige leven ontvangen.

K. van Tellingen-Nauta