Woord van de week – 14 juli

Voor zondag 14 juli 2019
 

Het zou me slecht vergaan, als ik het evangelie niet verkondig! 1 Korintiërs 9:16

16Dat ik verkondig is niet iets om me op te laten voorstaan. Ik kan niet anders, en het zou me slecht vergaan als ik het niet zou doen.

Kerngedachte: Deze uitspraak komt van apostel Paulus en laat ons in het hart van deze man kijken, die van een heilige geestdrift voor Christus en zijn evangelie vervuld was. Ik stel mezelf de vraag of het nu anders mag zijn. Steeds duidelijker zien wij in – en ook jonge mensen stellen het vast – dat de gemeente haar kracht om het ‘zout der aarde’ te zijn verliest, als zij niet meer het evangelie verkondigt of zending bedrijft. De eigenlijke roeping van de kerk van Christus gaat verloren, als zij haar opdracht niet meer vervult om het ‘licht der wereld en het zout der aarde’ te zijn. In onze eigen kring is een grote “zendingsmoeheid” merkbaar. Deze toestand wordt eigenlijk door niemand prettig gevonden; veeleer geloof ik dat we er allemaal aan lijden.

We hebben erg ons best gedaan voor het jongeren- en ouderenwerk. Dat alles vermeld ik niet om onszelf op de borst te slaan, want als de Heer het huis niet bouwt, bouwen wij er vergeefs aan. Ik knoop daar liever de vraag aan vast: is het genoeg? Bestaat daarin onze apostolische roeping en taak? Wij stellen vast, dat dit allemaal heel nuttig, noodzakelijk en waardevol is en dat we het met de term ‘zending binnen de gemeente’ kunnen aanduiden. Het ontslaat ons echter niet van de verplichting het evangelie van Christus in de wereld uit te dragen en Jezus Christus als Verlosser van alle mensen te verkondigen.

Wanneer we ons slechts met onze eigen kerkelijke problemen bezighouden, zullen we snel de kijk op de Heer en de daarmee verbonden taak in deze wereld verloren hebben. Kort geleden las ik in een artikel, dat over het thema “evangelisatie” ging, het volgende uitstekende commentaar: ‘Zolang de christelijke kerk nog denkt met de geestelijke verzorging van haar eigen leden genoeg gedaan te hebben, lijkt ze meer op een heidens kerkgenootschap dan op de kerk van Christus’.

Dit klinkt misschien wat overdreven, maar maakt ons er wel op opmerkzaam, dat onze belangrijkste taak in de evangelisatie ligt. “… en zou me slecht vergaan, als ik het niet zou doen.”, zei apostel Paulus destijds. Tegenwoordig betrek ik deze tekst allereerst op mijzelf. Daarenboven is het echter ook een opdracht voor alle navolgers van Christus. Wij allen moeten erop letten, dat we niet verstarren in een ‘vrome kringloop’ van bezig zijn met onszelf of ons door tegenwerkende omstandigheden van deze tijd laten verhinderen onze apostolische taak te vervullen. Wat is eigenlijk apostolisch? Dit woord is niet het uithangbord van een vrome instelling, waar iemand zich misschien veilig en beschermd voor alle wisselvalligheden van het leven en voor aanvallen van godsvijandige machten waant of zichzelf de absolute belofte van de hemelse erfenis toezegt. De betekenis van het woord “apostolisch” is: door Christus uitgezonden zijn in de wereld! Van HEM een opdracht hebben. Van HEM en ZIJN goddelijke zending getuigen! Daarom noemde de kerk zich in de begintijd apostolisch en wij belijden ook nu de apostolische zending, omdat de aanwezigheid van de kerk in de wereld zich alleen op deze opdracht laat baseren. Dat daaraan sociale, charitatieve en maatschappelijke taken verbonden zijn, blijkt alleen al uit het gebod van Jezus: “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”, maar het is eigenlijk slechts het resultaat van een door het geloof in Jezus Christus ontstane verhouding tot God. Daarom moet Christus in het middelpunt van apostolische zending staan. Van HEM en door HEM komt voor ons het licht van het ware besef van God, komt voor ons het leven uit God. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan alleen door HEM. Het is de heilige opdracht voor een apostel: Jezus Christus in de wereld te vertegenwoordigen, de blijde boodschap van verlossing en rechtvaardiging door het geloof in HEM te verkondigen. Niets is voor ons meer apostolisch dan dat we op deze wijze onze Heer verheerlijken, Hem vertrouwen, op Hem bouwen en dat op vele manieren duidelijk en ervaarbaar maken, zowel in de gemeente als in ons leven. Dat alles kan niet door menselijke macht en taalperfectie gebeuren, maar door de kracht van de Heilige Geest. Als apostolische christenen moeten wij ons nu de vraag stellen: in hoeverre zijn we werkelijk apostolisch? In hoeverre zijn we klaar en bereidwillig om zending te bedrijven? Dat is heel zeker geen kwestie van organisatie. Dat kan niet door een oproep of bevel worden verwezenlijkt. Het is veeleer geloof, gezindheid, innerlijk leven uit de verbondenheid met Jezus Christus. Evangelisatie betekent dus de mensen met Christus bekend te maken, hun vertellen wat wij zelf door het geloof in HEM hebben ervaren. Met Jezus Christus wordt je leven rijker aan hoop en vertrouwen, aan vreugde en innerlijke kracht. Je kunt vrij worden van verstrikking en schuld, door HEM vind je genade bij God, je leven krijgt vervulling en je hebt een doel: de toekomst van het rijk Gods!

God zij dank zijn tegenwoordig weer veel mensen beter aan te spreken op hun zielenleven. Men heeft allang onderkend, dat men op den duur niet alleen van gunstige financiële resultaten, auto’s, koelkasten en wereldreizen leven kan. Hoewel er tegenwoordig veel welgestelde mensen zijn, is er ook nog nooit zoveel leegte, innerlijke verlatenheid, nutteloosheid en radeloosheid onder de mensen geweest.

Hier zouden we het rijke aanbod van het evangelie ten volle moeten benutten. Wij zullen onze naaste werkelijk iets kunnen geven, als we met de kracht en uit de volheid van de Heilige Geest zending bedrijven. De grote evangelisatietoespraken uit de Heilige Schrift, zoals bijv. van Petrus, Stefanus of Paulus getuigen steeds weer van Gods almacht en soevereiniteit, zijn trouw aan de schepping en zijn liefde tot de mensen.

God wil niet de dood van de zondaar, maar wil dat hij zich bekeert en leeft! Het getuigenis van het volbrachte verlossingsoffer van Jezus Christus, van de rechtvaardiging door het geloof en van het onder ons gevestigde woord van verzoening, vormen de inhoud van de blijde boodschap aan alle mensen. Tenslotte hoort ook bij de evangelisatie, dat de zonde van de mens aan het licht komt. De mens staat naakt voor God; ook het vrome masker valt weg, als God in het hart van een mens met de waarheid van zijn Geest binnendringt.

De zonde is niet in de eerste plaats een moreel, maar een religieus begrip en betekent verzet tegen de wil van God, die in Jezus Christus geopenbaard wordt. Daarom toonde Jezus zich zo barmhartig tegenover tollenaren en hoeren, die naar Gods genade reikten, terwijl daarentegen Gods rijk gesloten bleef voor diegenen, die zich tegen de zending van Jezus Christus verzetten en hun gerechtigheid in de moraal en in de vervulling van de wet zochten.

Bij evangelisatie hoort zonder twijfel de oproep om een beslissing te nemen. De verkondiging van het evangelie is geen extra discussiebijdrage aan de vele andere meningen en inzichten, maar spoort de toehoorder aan een beslissing te nemen. Wie het serieus meent, kan eigenlijk niet neutraal blijven. Er moeten beslissingen worden genomen, hoewel niet altijd op stel en sprong. Op termijn echter ontkomt niemand aan het ‘voor of tegen’. Het is de vraag hoeveel tijd men daarvoor heeft.

Dat alle zendingsarbeid niet zonder een innig gebed gebeuren kan, zou ons allen bewust moeten zijn. De overwinning voor Jezus Christus wordt niet bevochten door de grote massa en onze naaste ontvangt geen geestelijke winst door onze menselijke vermogens, maar beide zaken worden alleen door Gods zegen verwezenlijkt. En Gods zegen wil afgebeden zijn!

De vraag rijst: weten alle christenen dit niet? Is evangelisatie onder christenen eigenlijk wel nodig? Moeten wij niet voor iets totaal anders zorgen, opdat er überhaupt nog iemand luistert? Heeft het evangelie nog aantrekkingskracht? Allereerst zullen we wel moeten vaststellen, dat de meeste christenen Christus verloren hebben, dat het ongeloof zich uitgebreid heeft en dat de geest van de antichrist zijn werk doet. Christendom is voor zeer veel mensen een formaliteit geworden. We willen de redenen en oorzaken hier niet nader belichten. We zien in ieder geval de realiteit en hebben de opdracht de afbrokkeling van het geloof tegen te gaan. Daarom is evangeliseren onder christenen noodzakelijk!

Dat wij in de eerste plaats van Christus en zijn evangelie getuigen en daardoor op het verloren gegane middelpunt van het leven willen wijzen, verduidelijkt toch, dat wij niet het belang van onze eigen gemeente op de voorgrond stellen. Het gaat ons niet om het winnen van zieltjes, maar om de opdracht van onze Heer en om de mensen, die het vertrouwen in Hem verloren hebben. Als er mensen in onze gemeente komen, die ons niet van kind af aan kennen, gebeurt het vanzelf, dat ons naar de details van onze geloofsleer en van ons gemeenteleven wordt gevraagd. Dan zullen we volgens ons bijbels inzicht en de ervaringen van ons geloofs- en gemeenteleven moeten antwoorden.

Veel zullen we met andere christenen gemeen hebben, in enkele geloofsprincipes zullen we ons ook onderscheiden. Daarom willen we ons niet jegens elkaar afbakenen. Ik geloof, dat het zo moet zijn en het is ook helemaal niet slecht, dat het zo is. Dit kan uiteindelijk alleen de pluriformiteit (veelvormigheid) dienen en een zekere rijkdom opleveren. Wij zullen altijd weer duidelijk moeten maken waarom we apostolisch zijn; hier moeten we ons profileren. Maar we moeten bedenken, dat we in de eerste plaats christenen zijn en in de tweede plaats apostolisch; anders is het helemaal niet mogelijk.

Er is in de loop der tijden veel veranderd en het denken in de kerken is anders geworden. Misschien zullen er nog andere tijden komen, waarin het kleine groepje mensen, dat waarachtig christen wil zijn en echt één doel kent: ‘Jezus te dienen’, zich nauwer aaneen moet sluiten om kracht te behouden tegen al het vijandelijke van buitenaf.

Wij zijn ervan overtuigd dat God overal daar, waar het evangelie van Jezus Christus centraal staat, tot heil van de mensen en tot uitvoering van zijn verlossingsplan werkzaam is. Wij verbeelden ons immers niet, dat wij overal kunnen zijn en dat de liefde van God niets voor elkaar zou krijgen zonder onze handen.

Ik denk, dat we in onze gemeente genoeg ervaringen met God beleefd hebben en ook het wezen en werken van de Heilige Geest gemerkt hebben, dat we de oproep van Filippus, destijds aan Natanaël, kunnen oppakken en eveneens zeggen: “Ga zelf maar kijken” (nadat Filippus Natanaël had verteld Jezus te hebben gevonden en Natanaël daaraan twijfelde). Een gemeente, die vanuit de kracht van de Heilige Geest leeft, zal een levend getuigenis zijn. Deze uitstralingen van de Geest blijven niet verborgen. Zij bewijzen niet in de eerste plaats dogmatisch de wedergeboorte tot een nieuw schepsel in Christus, maar levend in woord, wezen en daad!

Wij verkondigen ons niet zelf, maar dat Jezus Christus de Heer is! De knecht is niet groter dan zijn heer. Wij stellen ons echter ook geheel onder het zendingsbevel van Christus: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.” (Matteüs 28:18-20)

Voor ons allen geldt het woord van Jezus Christus: “Iedereen die Mij zal erkennen bij de mensen, zal ook Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel.” (Matteüs 10:32) Dus laten we in geloof en vertrouwen op onze Heer het niet uit de weg gaan, als we moeten belijden en niet zwijgen, als we moeten spreken.

Het zou me slecht vergaan, als ik het evangelie niet verkondig! Wij zullen ons er op dag x niet met een gebaar van af kunnen maken, want Christus zal ons duidelijk vragen: “Hebt u Mij erkend voor de mensen? Hem aan wie u door genade behoren mag als een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht?”

Deze vragen zullen zich niet laten omzeilen.

(Naar een artikel van apostel R. Gassmeyer uit het jaar 1972 ter voorbereiding van een evangelisatieweek).