Woord van de week – 17 november

Voor zondag 17 november 2019
 

De zekerheid van het eeuwige leven. 2 Korintiërs 5:1-10

1Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel. 2Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken. 3We zijn er echter zeker van dat we ook ontkleed niet naakt zullen zijn. 4Zolang we in onze aardse tent verblijven zuchten we onder een zware last, omdat we niet willen dat deze kleding wordt uitgetrokken; we willen dat er nieuwe over wordt aangetrokken, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden. 5Hiervoor heeft God zelf ons gereedgemaakt, door ons de Geest als onderpand te geven.

6Dus wij blijven altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen. 7We leven in vertrouwen op God; wat komen gaat is nog niet zichtbaar. 8We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen. 9Daarom ook stellen wij er een eer in te doen wat God wil, zowel in dit bestaan als in ons bestaan bij Hem. 10Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht.

Kerngedachte: De tekst voor vandaag, die begint met “onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken”, illustreert op indrukwekkende wijze alle vergankelijkheid van het menselijk leven hier op aarde. Tegelijkertijd herinnert het ons eraan dat het volk van God en de individuele gelovigen in Hem op weg zijn naar een wonderbaarlijk doel – de blijvende gemeenschap met God, de Vader, in het eeuwige leven.

Apostel Paulus kent de kwetsbaarheid van het aardse lichaam en hij weet ook dat God een huis heeft gebouwd voor allen die van Christus zijn, waarin zij na hun dood zullen wonen. Hij verbergt de angst voor de dood niet en hij zucht ook niet uit angst om naakt voor God te staan, daarom verlangt hij er naar om gekleed te worden “…zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden”. Apostel Paulus weet dat alleen God het witte kleed van genade kan geven en de schaamte van de naaktheid kan bedekken, zoals het volk van Laodicea wordt aangeraden te doen. (Openbaring 3:18).

Het is niet de angst om te sterven, die Paulus ertoe aanzet deze visie te verkondigen, maar de vreugdevolle zekerheid van de komende glorie, die hij verwacht. De oude man moet door de dood heen om in het eeuwige leven met God te komen. De Geest van God, die ons voorbereidt, schept de voorwaarde om de klederen van het heil aan te kunnen trekken, zodat we onze sterfdag onder ogen kunnen zien en God zonder angst kunnen ontmoeten en uit genade voor de rechterstoel van Christus kunnen staan.

Het witte gewaad van het heil is een voorwaarde om Gods koninkrijk binnen te gaan, zoals we in Matteüs 22:11-12 lezen. De Heilige Geest “weeft” al de klederen van het heil, zodat wij met vreugde naar de dag van de verschijning van Christus kunnen uitkijken en ons kunnen omvormen tot de nieuwe mens, die voor het eeuwige leven naar God geschapen is. Dit is de troost: we hebben een huis van God gebouwd, dat eeuwig in de hemel blijft bestaan.

Voor Paulus is de zekerheid van het eeuwige leven met God de aanzet om een leven te leiden, dat God welgevallig is: “Daarom ook stellen wij er een eer in te doen wat God wil, zowel in dit bestaan als in ons bestaan bij Hem. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen.…” (verzen 9 en 10) Het verlangen naar het eeuwige vaderland is een geschenk van God, dat niet laat rusten om meer op hem te gaan lijken. “Dus wij blijven altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen. We leven in vertrouwen op God…..” (verzen 6 en 7).

Hier hebben we geen blijvende plaats (Hebreeën 13:14), de aarde is niet ons thuis. Wie de aarde verlaat, mag zich verheugen in het eeuwige, hemelse vaderland, op voorwaarde dat hij zich heeft laten voorbereiden en het aanbod heeft aanvaard om de heilskleding aan te trekken. Wie dit niet doet, zal dakloos, arm en kaal zijn zonder hoop. De een sterft dus, terwijl de ander naar huis gaat en in Gods veiligheid mag leven (Lucas 16:22). Deze kennis schrikt niet af, maar activeert het geloof.

Paul is geen theoreticus, hij leed pijn en had angst gedood te worden. Maar de zekerheid van het geloof brengt hem erdoor en laat hem het verdragen in het belang van Christus. Hij schrijft over vervolging, onderdrukking en pijn: “We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt”. – “Daarom verzaken wij onze plicht niet. Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd.” (2 Korintiërs 4:10+16)

Deze zekerheid wordt ons gegeven door de Geest van God. Het verheft de blik van onze huidige situatie en laat ons naar onze Heer kijken. We hebben dus een nieuw perspectief gekregen, dat vanaf nu ons handelen en denken zal bepalen.

Laten we ons richten op het eeuwige doel van het geloof: bij de Heer zijn. Laten we opzien naar Christus, de Beginner en Vervolmaker van het geloof en alles onderzoeken wat ons wordt gebracht in de Bijbelse uitspraken en beloften van de Schrift: Zij is het die van Jezus Christus getuigt.

 

F. Simons