Woord van de week – 30 juni

Voor zondag 30 juni 2019
 

We betonen ons dienaren van God, opdat Jezus groot wordt 2 Korintiërs 6:1-10

1Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3Om onze verkondiging niet te schaden, geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4We willen juist laten zien dat we dienaren van God zijn, door altijd te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de Heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet ter dood veroordeeld, 10we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles.

Kerngedachte: “…….De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen.” (1 Johannes 3:8)

Het woord “verzoeking” is inmiddels een ouderwets begrip geworden, vooral omdat de vraag naar de verzoeker (verleider) anders gesteld werd en wordt. Bestaat die trouwens? Komt de verzoeking niet uitsluitend uit het innerlijk voort? Met deze ontwikkeling moet in ieder geval rekening worden gehouden, als we het over verzoeking hebben. Het denkbeeld van een echte verzoeker als de duivel roept vaak alleen nog een vermoeide glimlach op. Maar de vraag naar de verzoeker resteert, of die nu uit het innerlijk voortkomt of uit een uiterlijk werkende kracht. Het begrip vinden we in ieder geval nog in onze taal, bijvoorbeeld als men zegt: “Ik ben in de verzoeking gekomen het een en ander te kopen.” Hier heeft het begrip echter niet meer de betekenis, die het in het bijbelse verband heeft.

Overwegingen bij het Bijbelwoord uit het boek “Wie Jezus heeft, die heeft het leven” van Winrich Scheffbuch (een Duitse predikant):

“Het gif, dat zoet smaakt en de dood veroorzaakt, is het gevaarlijkst. O wee, als men geen acht slaat op de waarschuwingen op het etiket. Men heeft er nauwelijks een beetje van genipt, of men krijgt trek in meer. De naderende dood heeft zich echter al in het lichaam genesteld. Voor welk gif moet Paulus zo ernstig waarschuwen? Hij spreekt over het feit, dat alles, wat christenen bij Jezus gevonden hebben, op het spel staat. Het gevaar dreigt, dat Gods erbarmen met hen tevergeefs was.”

In de gemeente in Korinte wilde men een overwinningsleven met Jezus leiden. Men hunkerde naar een zichtbaar teken van zijn macht. Men wilde schitteren en stralen voor zijn Heer. En juist dat schrapt Paulus. Hij neemt zijn eigen leven als schoolvoorbeeld. Hij laat niet gelden, dat anderen misschien toch een grotere vooruitgang boeken in het geloof. De dagelijks ondervonden zwakheid is typerend voor Gods omgang met zijn knechten. Paulus weet zich elke dag beroofd van zijn Heer in zijn uitzichtloze onmacht. Ellende, nood en angst ondermijnen niet alleen zijn zenuwen, maar ook zijn levenskracht. Maar dan richt hij zich tot Jezus, die de duisternis heeft overwonnen. Alleen door het geloof in Hem kan hij het geduldig uithouden.

De anderen mogen hun ‘sprookjes’ vertellen, hoe geweldig alles bij hen verloopt. Paulus spreekt over het zweet van zijn werk in dienst van Jezus, waarvoor menig nachtelijk uur werd opgeofferd, zonder enige vrucht te dragen.

Vaak voelde Paulus zich als een stervende. Zo kapotgeslagen was zijn lichaam. Maar zijn geloof vertrouwde op de macht van Jezus. Daarom moest hij over Hem prediken. Jezus moest groot worden. Ook als Paulus verdrietig of terneergeslagen was, verhinderde hem dat niet de vreugde van het evangelie aan anderen mee te delen. Dat is het grootste en heerlijkste ambt.

S. Roth