Woord van de week – 4 augustus

Voor zondag 4 augustus 2019
 

Bid en wees standvastig. 2 Tessalonicenzen 3:1-5

1Voor het overige, broeders en zusters, bid voor ons. Bid dat het woord van de Heer zich elders even snel verspreidt en evenzeer geprezen wordt als bij u. 2Bid ook dat wij worden behoed voor slechte en kwaadaardige mensen, want niet iedereen is betrouwbaar. 3Maar de Heer is trouw, Hij zal u kracht geven en u tegen het kwaad beschermen. 4De Heer geeft ons de overtuiging dat u doet wat wij u opdragen en dat zult blijven doen. 5Moge de Heer uw wil en verlangen richten op de liefde voor God en de standvastige trouw aan Christus.

Kerngedachte: Al uit zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen blijkt, dat Paulus graag zijn broeders en zuster weer wil ontmoeten en dat hij daar dag en nacht om bidt. Ten slotte zendt hij Timoteüs naar hen toe om te horen hoe het met de standvastigheid van hun geloof staat. Hij is met zijn gedachten bij hen en wil weten hoe het met hen gaat. Hoewel Paulus in beide brieven ingaat op de onenigheden, die er waren over de dag van de wederkomst (volgens sommigen had de wederkomst al plaatsgevonden, anderen weigerden te werken omdat dit elke dag kon gebeuren) dankt hij God voor het geloof en de liefde onder de Tessalonicenzen. Om behoed te worden tegen de boze machten moeten de gelovigen standvastig in het gebed en trouw aan de blijde boodschap zijn. Paulus heeft een verzoek aan de gemeente: zij moet voor hem en zijn medebroeders bidden, opdat ook het evangelie van Jezus Christus overal zijn zegensloop kan beginnen, zoals ook bij hen reeds is geschied.

Uit de Heilige Schrift weten wij, dat apostel Paulus de gelovigen meerdere malen heeft opgeroepen te bidden voor hem en zijn medebroeders, maar ook voor allen, die geloven (de zgn. heiligen):

  • “Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam en bid voortdurend voor alle heiligen. Bid ook voor mij, dat mij de juiste woorden gegeven worden wanneer ik verkondig, zodat ik met vrijmoedigheid het mysterie mag openbaren van het evangelie” (Efeziërs 6:18-19);
  • “En bid dan ook voor ons, dat God deuren voor ons opent om het mysterie van Christus te verkondigen…” (Kolossenzen 4:3);
  • “Bid dat het woord van de Heer zich even snel verspreidt en evenzeer geprezen wordt als bij u. Bid ook dat wij worden behoed voor slechte en kwaadaardige mensen, want niet iedereen is betrouwbaar.” (2 Tessalonicenzen 3:1-2).

Hoe is nu de verhouding tussen ons?

Hoe is het met onze hartelijke betrekkingen? Van de gemeente tot de voorganger? En van de voorganger tot de gemeente (de voorganger behoort immers ook tot de gemeente)? Stroomt Gods woord van de voorganger naar de gemeente? In hoeverre zijn wij (voorganger en gemeente) ons bewust van het gevaar van het kwaad in de gemeente en daarbuiten? In hoeverre zijn wij (voorganger en gemeente) ons bewust van de prijs, die Christus voor zijn gemeente betaald heeft?

Bezien vanuit de gemeente:

Hoe vrijmoedig wordt het evangelie verkondigd? Maak ik het de voorganger min of meer gemakkelijk of moeilijk of zelfs onmogelijk? Hoe geloofwaardig bid ik, opdat de voorganger

  • het woord Gods gegeven wordt, als hij zijn mond opent?
  • een deur voor het woord geopend krijgt door God?

Bezien vanuit de voorganger:

Wat bid ik als prediker van het woord, opdat de gemeente

  • vrij in het geloof in Jezus Christus groeit?
  • door het woord de liefde van de Heer ervaart?
  • graag wil bidden?
  • uit overtuiging trouw blijft aan het evangelie?
  • standvastigheid toont?
  • door het dagelijks gebed van de voorganger gedragen wordt?
  • graag bezoek ontvangt om van hun geloof te getuigen?

Onze gemeenschap is een zaak van het hart; zij leeft uit de liefde en het geduld van Christus. Zij leeft door het offer van onze Heer Jezus Christus, is door Hem geheiligd en zal Hem verheerlijken. Dat bij iedere ontmoeting ons hart moge spreken, want ons gezamenlijke doel is geweldig: eenmaal in liefde met Christus verenigd te zijn.

“God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.” (1 Johannes 4:16)

N. Schaeffer

N.B. ons huidige begrip van voorganger is de ambtsdrager die voorgaat in de eredienst.