Woord van de week – 5 mei

Voor zondag 5 mei 2019
Zo behoort de ware gemeente te zijn! Efeziërs 4:1-6
Christus als fundament

1Ik, die gevangen zit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: 2wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. 3Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: 4één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, 5één Heer, één geloof, één doop, 6één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.

Kerngedachte:Paulus noemt hier de attributen voor de ware gemeente. De vereiste toestand behelst het gedrag onder elkaar en de verhouding tot God, tot het geloof en tot onze roeping. Dat is de meetlat voor iedere christen. Men kan erop stuklopen, omdat een gemeente nu eenmaal ook zeer menselijk kan zijn, of men wordt aangespoord en zegt tegen iedereen, die het horen wil: “Ik hou van mijn gemeente, mijn God, zijn Zoon en ik heb de Heilige Geest nodig.”

Stelt u zich eens voor, dat boven elke gemeente een groot uithangbord prijkt, zoals het bord hieronder:

Onze Heer is God, Hij is de Enige en is in alles en iedereen aanwezig. Wij zijn geroepen navolgers van de Heer Jezus Christus. Wij leven waardig aan deze roeping, omdat wij de naasten in liefde dulden, nederigheid betrachten en zachtmoedig zijn. Wij zijn niet ongeduldig, maar bewaren de vrede. Geestelijke eenheid vormt ons gemeenteleven. De doop en ons geloof zijn fundamenten van onze gemeente.

Dat zou in grove lijnen de inhoud van het Bijbelwoord van vandaag zijn. Op het uithangbord is duidelijk te lezen, dat wij geroepen christenen zijn met het vaste doel waardig aan deze roeping te leven.

De attributen:

  • Liefde,
  • Verdraagzaamheid,
  • Geduld,
  • Zachtmoedigheid en nederigheid,
  • Eenheid in geest,
  • Geloof,
  • Vreedzaamheid,
  • Geloof in één God, die alles in allen is,

houden het gedrag en begrip van elke christelijke gemeente als het ware ten doop.

Tot zover de theorie. De praktijk leert ons, dat wij soms een heel eind verwijderd zijn van deze vanzelfsprekendheid van een christelijke gemeente, zoals Paulus haar beschrijft.

Overdreven gezegd zouden onze attributen veeleer zijn:

  • Het uitsterven van kleinere gemeenten op grond van vergrijzing en andere oorzaken,
  • Het klagen over te weinig financiële middelen (eigenlijk pijnlijk daarover te moeten spreken),
  • Het permanente gebrek aan ambtsdragers (weinigen doen bijna alles),
  • Ruzie en gekibbel over futiliteiten,
  • Het gebrek aan gebed,
  • Het gebrek aan het lezen van de Bijbel (een goede roman lezen kan net zo goed),
  • Kritiek op alles, wat nieuw en ongewoon is,
  • Het zijn van een aardige familie (wij begroeten iedereen met een handdruk, dat is toch al heel wat).

Goed, er moet niet worden verheeld, dat wij aan veel van deze niet bepaald bezielende attributen werken en dat ook vooruitgang zichtbaar wordt. Echter gemeten naar het dringende verzoek van Paulus aan de Efeziërs lijkt onze gemeente, haar structuur en haar zelfkennis hier niet tegen opgewassen. Dat is een verlammende gedachte, maar het kan ook zo zijn, dat het meer dan voorheen voorkomt in onszelf en in onze gemeenten.

Daartoe behoort simpelweg de moed van ieder individu over zijn eigen zwakke schaduw heen te springen en te leven naar deze gevraagde karaktertrekken, of tenminste daarnaar op weg te zijn. Het kan niet zo zijn, dat de kwaliteit van ons wezen zich niet verbetert, uitsluitend omdat wij nu eenmaal niet zo perfect worden geboren. Met de hulp van de Geest Gods zullen wij ons veranderen, soms langzaam en zeldzamer erg snel. Wij moeten echter zelf vragen om deze Geest Gods en wel meer en vaker dan om ons dagelijks brood. Wie zich wil veranderen, zou het alleen met de hulp van God moeten proberen. Willen en bidden is een eenheid. Is onze gemeente daartoe in staat? Het is ook aan ons “predikers” dat meer dan tot op heden te vragen, te wensen en uit te dragen – met veel gebed en gesprek.

Ik hou van mijn God – Vader, Zoon, Heilige Geest en ik hou van mijn gemeente, waarin ik leef. Een spreuk voor 365 dagen in het jaar.

Nog eenmaal terug naar het uithangbord boven onze gemeenten. Misschien kunnen wij toch zo’n boodschap boven de ingang van onze gemeenten hangen. Dat zou vast en zeker een zendingswerking hebben voor andere mensen en voor ons gemeenteleden zou het een constante herinnering zijn aan wat wij eigenlijk zouden moeten belichamen.

Zelfs Paulus en Petrus, deze christelijke voorbeelden, waren nooit volkomen. Zij waren met Geest vervulde mensen, maar feilbaar en nu eenmaal ook mensen. Als zij, in plaats van zending te bedrijven en de wereld de boodschap van Jezus Christus te brengen, gewacht hadden tot zij volkomen genoeg waren geweest, zouden wij christenen er vandaag zeker niet zijn!

M. Rieder