Woord van de week – 9 juni

Voor zondag eerste Pinksterdag 9 juni 2019
“Boven wordt de lucht heel ijl” Numeri 11:11-25
11Hij vroeg de HEER: ‘Waarom doet U uw dienaar dit aan? Bent U mij zo weinig genegen, dat U mij de last van heel dit volk te dragen geeft? 12Ben ik soms zwanger geweest van dit volk, heb ik het ter wereld gebracht? En dan wilt U mij gebieden om het in mijn armen te dragen, zoals een voedster een zuigeling draagt, en het zo naar het land te brengen dat U zijn voorouders onder ede beloofd hebt? 13Ze komen bij mij klagen dat ze vlees willen. Maar waar haal ik voor dit hele volk vlees vandaan? 14Ik alleen kan de last van dit hele volk niet dragen, dat is te zwaar voor mij. 15Als U mij dit werkelijk wilt aandoen, dood me dan liever meteen. Dan blijft verdere ellende mij tenminste bespaard.’

16De HEER antwoordde Mozes: ‘Breng zeventig van de oudsten van Israël bijeen van wie je weet dat ze hun taak als opzichter van het volk goed vervullen, en laat hen naar de ontmoetingstent komen om zich daar bij je te voegen. 17Ik zal neerdalen om daar met jou te spreken, en een deel van de geest die op jou rust zal Ik op hen overdragen. Dan kunnen zij samen met jou de last van het volk dragen en hoef je dat niet langer alleen te doen. 18En tegen het volk moet je zeggen: “Zorg ervoor dat u morgen rein bent, dan krijgt u vlees te eten. U hebt immers bij de HEER geklaagd dat u geen vlees hebt en dat u het in Egypte zo goed had? Welnu, de HEER zal u vlees geven – en vlees eten zult u! 19Niet zomaar één dag, niet twee dagen, niet vijf of tien of twintig dagen, 20maar een volle maand, tot het u de neus uit komt en u er misselijk van wordt. Want u hebt de HEER, die in uw midden is, geminacht door erover te klagen dat u uit Egypte bent weggegaan.”’ 21Mozes zei: ‘Ik heb hier een volk van zeshonderdduizend mensen bij me, en U zegt dat U hun vlees zult geven en dat ze daar een volle maand van zullen eten? 22Hoe zouden er ooit genoeg schapen, geiten en runderen voor hen kunnen worden geslacht? Zelfs als alle vissen van de zee gevangen werden, zouden ze daar niet genoeg aan hebben.’ 23Maar de HEER antwoordde: ‘Schiet de macht van de HEER soms tekort? Je zult spoedig zien of Ik mijn belofte nakom.’

24Mozes ging naar buiten en bracht de woorden van de HEER aan het volk over. Daarna bracht hij zeventig oudsten van het volk bijeen en stelde hen rond de tent op. 25Toen daalde de HEER af, in de wolk. Hij sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Zodra de geest op hen rustte begonnen ze te profeteren. Dat is daarna niet opnieuw gebeurd.

Kerngedachte: De profetie was allereerst bestemd voor het uitverkoren volk Israëls. Maar door het falen van de profeet bij zijn volk krijgen de heidenen pas de kans God te leren kennen als heil voor de hele wereld.

“Boven wordt de lucht heel ijl”. In deze zin komt niet slechts de ervaring van bergbeklimmers als Reinhold Messner tot uiting, die toeren in de hoogste regionen van de Himalaya doorstaan hebben. Er is sprake van een gevoel, dat ook op diegenen slaat, die in overdrachtelijke zin “ boven” zijn, een leidende functie hebben of eenvoudigweg verantwoording dragen zowel in het grote als in het kleine. Ook dan kan de lucht ijl worden, de toestand vastlopen, kunnen de eisen ogenschijnlijk te veel zijn en de eenzaamheid groot. Dat geldt voor het heden, het geldt ook voor de tijden, waarover de Bijbel bericht, bijvoorbeeld over de trektocht van het volk Israël uit de slavernij in Egypte naar het beloofde land.

Lang is de weg en ongemakkelijk, een tocht door de woestijn zelfs en de door God aangewezen leider van het volk Israël, Mozes, is aan het eind van zijn krachten: opgebrand is hij naar lichaam en geest. Het volk mort: wanneer wordt het beloofde land bereikt? Waarom en hoe lang nog de ontberingen in de woestijn? Had men het in Egypte niet gemakkelijker? Zeker, men moest er hard werken. Maar om lichaam en leven, om de basisbehoeften zoals eten, drinken, een woning, hoefde men zich daar geen zorgen te maken, in tegenstelling tot nu. Zo klagen ze en Mozes vindt geen middel, geen woorden om het hem toevertrouwde volk op andere gedachten te brengen, te motiveren, tot verdergaan te overreden.

Vastgelopen is de toestand en er is geen oplossing in zicht. Daardoor verrast de reactie van Mozes niet. Hij wordt zelfs niet boos meer, wat eens één van zijn typische karaktertrekken was. Hij kan slechts nog klagen. Zijn klacht uit hij tegenover God, die hem een last opgelegd heeft, die hij niet meer dragen kan. Mozes heeft er genoeg van. Er vallen bittere woorden. Berusting, ja zelfs levensmoeheid zijn onmiskenbaar: waarom legt U de last van heel het volk op mij? Ik kan die niet alleen dragen, het is me te zwaar. En dan de bede om een zogenaamde laatste genade: “Als U mij dit werkelijk wilt aandoen, dood me dan liever meteen. Dan blijft verdere ellende mij tenminste bespaard.” (Numeri 11:15) Hieruit spreekt de wanhoop: “Liever een einde met verschrikkingen dan verschrikkingen zonder einde.”

Een dramatische geschiedenis. Men doet niets aan haar waarde af, als we daarin ook onze eigen ervaringen terugvinden: overbelast te zijn, een door anderen opgelegde taak of een doel, dat we onszelf gesteld hebben, niet te kunnen bereiken – ik denk, dat het een gevoel is, dat niemand van ons vreemd is: hetzij in het beroep, hetzij in het gezin. Geen uitweg meer weten en slechts één wens hebben: dat de last – wat die ook mag zijn – op welke manier dan ook, van ons genomen wordt.

Overbelasting. Klacht. Zo begint onze geschiedenis. En toch blijft het daar niet bij. We horen beter gezegd: God helpt. Ook in moeilijke levensomstandigheden, Hij helpt de mensen, voor wie de lucht helemaal ijl geworden is. Dat is de boodschap van onze geschiedenis uit het boek Numeri. God helpt, Hij zendt zijn Geest.

Dat verbindt deze geschiedenis met de Pinkstergeschiedenis uit het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen. Zij vertelt allereerst van een bezielend gejubel, van het onweerstaanbare succes van de discipelen op deze gedenkwaardige dag. Dat is juist, maar ook de discipelen verkeerden, voordat dit allemaal gebeurde, in een moeilijke, denkbaar onzekere toestand. Laten we ons eens herinneren: Jezus was dood, Goede Vrijdag; Hij is opgestaan, Pasen. En tenslotte, tien dagen voor Pinksteren, Hemelvaart: Jezus keert naar zijn Vader terug, Hij zit aan de rechterzijde van zijn Vader. Een lange weg is aan het doel gekomen. Maar Hemelvaart betekent ook: Jezus verlaat zijn discipelen; zij moeten zonder Hem, die hier op aarde in levende lijve bij hen geweest was, leven en werken.

Maar Jezus laat zijn discipelen niet alleen achter: Hij belooft hun de Heilige Geest te sturen: “Maar wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van Mij getuigen…”. Zo staat het in Handelingen 1:8. En zo gebeurt het ook. God helpt. Hij zendt zijn Heilige Geest. Hoe doet Hij dat echter? Beide geschiedenissen, die van Mozes en de Pinkstergeschiedenis, vertellen er zeer nadrukkelijk over.

Twee dingen verbinden beide geschiedenissen: het is God, die de mensen nieuwe kracht, nieuwe hoop geeft; het is niet de mens, die uit eigen kracht over de horizon springt, die de boeien van de berusting verbreekt. God zegt dus niet tegen Mozes: “ Verman je ”of “ Drijf de oude Adam uit”, er wordt geen motivatietraining als geheim recept aanbevolen. Het is niet de mens, maar God, die uiteindelijk kracht en nieuw vertrouwen geeft. Het is bevrijdend voor allen, die zich op de proef gesteld en overbelast voelen.

Het is bevrijdend, ook voor wat betreft de taken, die blijven. Want daarover meldt indirect de voortgang van beide geschiedenissen: God zendt zijn Geest, Hij geeft nieuwe hoop: Maar de tocht door de woestijn gaat wél verder, het beloofde land is nog niet bereikt. Noch Mozes noch het volk Israël is reeds aan het doel. Precies zo vergaat het de discipelen: Pinksteren is de geboortedag, de eerste dag van de kerk. Samen als christenen leven, andere mensen enthousiast maken, als kerk leven en de kerk naar de beste menselijke kennis, naar onze mogelijkheden vormen, dat was, is en blijft een grote opgave. Het gelukkige einde van beide geschiedenissen is dus geen eindpunt, het is tevens een begin.

En verder: hoe en aan wie zendt God zijn Geest? God, zo staat in het boek Numeri, stuurt zijn Geest naar de oudsten van het volk Israël. Samen ontvangen de discipelen Gods Geest. God schenkt ook aan de mensen gezamenlijk zijn Geest. Het kan best zo zijn, dat er in het volk Israël zoals bijvoorbeeld bij Mozes en ook tegenwoordig in de kerk speciale, belangrijke opgaven zijn, maar toch moet worden benadrukt: God rust geen enkele ‘superman’ of ‘supervrouw’ exclusief met bijzondere krachten uit; de kracht van zijn Geest ontvouwt zich in de gemeenschap. Hier maakt deze zich waar.

Dit kan ons bevrijden van het verkeerde en teveel vergende denkbeeld, dat al het geluk en succes in het werk, in de familie en in de gemeente juist van ons, van onze krachten zou afhangen. Deze last wordt dan terecht als te groot gevoeld. De kracht van God wordt veeleer in de gemeenschap voelbaar, in het kleine of in het grote. Deze ervaring in de gemeenschap kan ertoe leiden, dat we haar doorgeven en dat ook andere mensen zich door Gods Geest laten aanspreken en aansteken, zoals de Pinkstergeschiedenis bemoedigend vertelt.

Tenslotte: God rust het volk Israël met zijn Heilige Geest uit op de tocht in het beloofde land, Hij geeft zijn volk, de kerk zijn Geest aan het begin van de weg. Beide wegen, zowel die door de woestijn, als ook de gang van de kerk door de tijd, lijken dikwijls moeizaam, vermoeiend, lijken voor hen die hem gaan, overbelastend te zijn. Maar dat is juist niet het laatste woord: God die zijn Geest geeft, belooft allebei een toekomst. En Hij lost zijn belofte in: God, zijn Geest, begeleidt zijn volk, Hij gaat mee op de weg daarheen, waar vrede, waar het rijk van God te vinden is.

Schrijver onbekend