Gij kind’ren Gods, looft, looft uw Heer (184)

Terug naar zangbundel
Terug naar dankliederen na het avondmaal

Gij kind’ren Gods, looft, looft uw Heer

Gij kind’ren Gods, looft, looft uw Heer,
prijst Hem met hart en mond;
Hij had u lief, toen gij vervreemd
en verre van Hem stond.
Ja, Hij heeft u nabij gebracht,
door zijn barmhartigheid;
gij, die meer dood dan levend waart,
smaakt nu zijn zaligheid.
Brengt Hem uw dank,
leeft Hem ter eer,
gij zijt verkoren door uw Heer,
die Jezus heet, zijn naam
U geeft, in zijn apost’len voor u leeft.

Hoe waart gij eertijds zonder God
in ‘s werelds lust verward;
vreemd van Gods eeuwig trouwverbond,
geen hoop meer in uw hart.
Nu echter zijt gij erfgenaam
met Christus, uwen Heer;
zijt burger van Gods koninkrijk,
geen gast of vreemd’ling meer.
Gij wordt gevormd, thans allermeest,
tot tempel van zijn heil’ge Geest;
d’ apost’len staand in Jezus trouw,
zijn ‘t fundament van dat gebouw.

Der wereld duister akkerwerk
bevat nog meen’ge schat,
die naar Gods wille is bestemd,
tot heilig tempelvat.
O gij, die reeds zijt vrijgekocht,
en uw verlosser kent,
betracht de liefde van uw Heer,
die tot zijn dienst u zendt.
Geeft aan zijn werk dan uwe kracht,
daartoe toch zijt gij saamgebracht;
dient dan de Heer, die gij belijdt,
and’ren tot heil en zaligheid.

Geen media